Negentigste kerst
Negentig jaar is ze, en ze zit naast me aan het kerstdiner in het bejaardentehuis. Een kleine gerimpelde vrouw. Bijna doof, maar aan haar felle blauwe ogen ontgaat niet veel. De soep vindt ze te dik, en de gebakken aardappeltjes te vet. Maar ze lust wel een schepje zalmsalade en een stukje rollade. En patat. Met mayonaise. “Ja, dát is pas lekker. Patat met mayonaise. Nooit krijg je dat hier in het tehuis. Alleen maar van die ‘tweedehands maaltijden’ zoals ik ze noem,” moppert ze. “Opgewarmde lauwe boontjes, brrrr…”
Terwijl ze een reepje van haar rollade snijdt, begint ze te vertellen over negentig jaar mensenleven. Hoe haar eerste man overleed toen hij maar net iets ouder was dan ik nu. Hoe ze er tien jaar lang alleen voor stond met drie kleine kinderen. “Ze vonden mij hier op de Veluwe geen dame,” zegt ze, “Omdat ik uit het westen van het land kwam. Ik hoorde er niet bij.” Haar ogen fonkelen. “Toch heb ik het gered. Ik had nooit gedacht dat ik het zou doen, maar ik moest wel. Ik werd marktkoopvrouw. Bij een kraam met groenten en fruit. En bij de patatkraam.” Ze glimlacht terwijl ze uit het raam staart, naar de koude buitenwereld.
Ze vertelt verder, hoe ze haar tweede man leerde kennen. “Ik hield niet van hem. Twee keer maakte ik het uit. En tóch zijn we getrouwd, we waren goede zakenpartners. We bouwden een bloeiende zaak op.” Even is ze stil. “Ook hij is gestorven, jaren geleden. En ik, ik leef nog. Hier. En nu. Hoe lang nog? Dat weet ik niet…”
Haar vork prikt langzaam het laatste frietje met mayonaise op. “Wist je dat er een tijd geweest is dat ik geen patat meer kon zien? Ik had trouwens maar één stoofpeertje gekregen op mijn bord. Weinig zeg, ik had er nog wel een gelust. En kun je eens vragen wat voor toetje we krijgen? Als het maar niet zo veel is, bah, nee dat hoef ik niet hoor.” Het dessert wordt geserveerd. IJs, appelgebak, slagroom en een soesje. Haar schoteltje gaat helemaal leeg. Er zijn stoofpeertjes over, wordt omgeroepen. Ik haal twee bakjes. Ze straalt als ik ze op haar rollator zet.
Het lampje van de lift knippert. “Staan die ouwe dames boven zeker weer te kletsen, ze houden er nooit rekening mee dat wij ook naar boven moeten,” bromt ze ongeduldig.
Een uur later loop ik buiten. Een vrouw van middelbare leeftijd staat bij de hoofdingang. “Je zat bij mijn moeder aan tafel, hoorde ik, ze vond het erg gezellig,” zegt ze. “Bedankt. Fijne feestdagen.”
