Thursday, December 31, 2009

Opa's handen

Ze hielden me voorzichtig vast, toen ik een kleine baby was. Opa's grote, sterke werkhanden. Met mijn pietepeuterige vingertjes omklemde ik zijn wijsvinger. Wat was hij trots. Het nieuwe jaar was net begonnen, de sneeuw lag vers en wit op de straten: een mooi begin als kersverse grootvader.

Winters later pakte hij mijn kleine handje voor een wandeling door zijn woonplaats. Om zijn grote stappen bij te houden, moest ik meerdere stapjes zetten. Langs de schommels ging het en hij duwde, met die sterke handen, tot ik huizenhoog vloog. Naar het park liepen we en met zijn lange wijsvinger wees hij naar het kasteel, waar een echte jonker woonde. Bij de kinderboerderij kwamen we en zijn handen tilden me op de tractor en streelden het wilde watervlugge geitje, waar ik stiekem een beetje bang voor was.

Soms kwam hij bij ons op de brommer. Met zijn zware zwarte jas en zijn appelgroene helm; een waardige verschijning. Hij ging dan in de schuur aan de slag, kleine fietsbandjes plakken, of iets maken van hout, want zijn handen konden alles met hout. Ooit maakten die grote handen een prachtig poppenhuis, een pronkstuk. Met fijne houten tafeltjes en stoeltjes. Een bedje voor de pop om in te slapen en een kaptafel met sierlijk bewerkte pootjes. En het mooiste van alles: kleine gladgeschuurde bordjes en houten wijnglaasjes, minutieus afgewerkt. Want ook poppetjes moeten kunnen eten en drinken. Het was het allermooiste cadeau dat ik ooit gekregen had.

Zijn handen, voorzien van een grote lepel, ruïneerden in twee scheppen mooie toetjes. Zijn handen, voorzien van een tafelmes, sneden vervolgens muizelige kleine stukjes van de kaaskorst, voor de vogeltjes in de tuin. Zijn handen zorgden voor een explosie van slagroom als hij te hard in de spuitbus kneep. Zijn handen snoeiden met zorg de amaryllis, zodat die het jaar erop weer prachtig bloeide. En elke dag vouwde hij die handen en bad en dankte hij voor allen die hem lief waren, en legde hij zijn leven, zorgen en dankbaarheid in Gods handen.

Langzaam werden opa's handen oud en minder sterk. Op het laatst omklemden zijn stramme koele vingers mijn hand. Nog één laatste kneep. Wat hield ik van hem. Het oude jaar was haast voorbij, de sneeuw was net gesmolten in de straten: een mooi afscheid van mijn lieve opa.

Tuesday, December 01, 2009

Geluk in de metro

Met ontevreden gezichten komen ze de roltrap af. Een stel van middelbare leeftijd, allebei hetzelfde rode jack. Hij het herenmodel, zij de vrouwelijke variant. Zelfs hun kapsels lijken op elkaar. Aan hun blikken en hun houding zie je direct dat dit Zeurderige Mensen zijn. Bij sommige mensen heb je dat nou eenmaal.

Hij begint, op een wat nasale toon. “Nee hè, nou is het ook nog super druk op het perron. Je zal zien dat die metro straks al helemaal vol zit. Kunnen we niet beter de volgende metro nemen?”
Zij antwoordt, met een zielig pieperig stemmetje: “Nee-hee… want de volgende metro zit ook vol. Het is áltijd zo druk in de spits, daar kan ik niks aan doen ofzo…”

Het suizen van de aankomende metro onderbreekt hun korte dialoog. Met moeite wringen ze zich door de menigte en staan even later tegen elkaar geklemd in het middenpad, terwijl ze zich stevig vastgrijpen aan een van de metalen buizen. De metro gaat rijden. En de Zeurderige Man neemt het woord weer.

“Zie je nou wel, geeneens meer een zitplaats. En ik was al zo moe. Dit vind ik echt niet leuk hoor, als je dat maar niet denkt…”
Zij: “Nee nou ja, dat weet ik toch ook wel, ik sta hier anders ook niet ideaal.” En ze kijkt om naar een stevig gebouwde man die nogal asociaal tegen haar aan leunt. De metro stopt bij de volgende halte. Mensen stappen uit en anderen stappen in. Zoals het meestal gaat bij metrohaltes.

Zij: “Zeggeh… daar achter is een plekkie vrij… Moet je nou nog zitten?”
Hij kijkt om naar de lege plek, zo’n drie stoeltjes van hem verwijderd. “Nee zeg, dan moet ik daar helemaal heen lopen en mijn voeten doen al zo zeer.” Met een schok zet de metro zich weer in beweging.
Zij: “Ga dan ook zitten, dan hebbie daar geen last van.”
Hij: “Ja maar ik kan mijn evenwicht nooit houden in een rijdende metro. Wou je dan dat ik op m’n plaat ga in het middenpad?” Hij kijkt haar geïrriteerd aan. Zij zwijgt wijselijk. Waarschijnlijk wenst ze dat ze nu op het strand in South Miami zit, in plaats van in het Rotterdamse openbaar vervoer.

Verder gaat de rit, zuidwaarts. Hij: “Dalijk hebben we ook geen plek meer in de bus… Moeten we dat hele eind naar huis ook nog staan.”
Zij: “Niet waar, er is heus nog wel plek.”
Hij: “Nee hoor, ik weet zeker van niet. Vorige week zat die bus ook propvol. Dat moet niet mogen.”
Zij: “Wou je dan een taxi naar huis nemen?”
Hij: “Nee-hee! Dát zeg ik toch ook niet?”

Op dat punt in het gesprek verlaat ik de metro. Jammer, want ik had best nog willen weten hoe het busavontuur afliep. En of ze thuis ook zo zaniken. Als ik later de krantjes bij het oud papier wil gooien, valt mijn oog op een grote kop in de Metro: ‘Nederlander zeurt, maar is wel gelukkig’. Opgelucht denk ik terug aan het stel op de Erasmuslijn. Geen zorgen dus! Die twee? Die zijn hartstikke gelukkig.