Opa's handen
Ze hielden me voorzichtig vast, toen ik een kleine baby was. Opa's grote, sterke werkhanden. Met mijn pietepeuterige vingertjes omklemde ik zijn wijsvinger. Wat was hij trots. Het nieuwe jaar was net begonnen, de sneeuw lag vers en wit op de straten: een mooi begin als kersverse grootvader.
Winters later pakte hij mijn kleine handje voor een wandeling door zijn woonplaats. Om zijn grote stappen bij te houden, moest ik meerdere stapjes zetten. Langs de schommels ging het en hij duwde, met die sterke handen, tot ik huizenhoog vloog. Naar het park liepen we en met zijn lange wijsvinger wees hij naar het kasteel, waar een echte jonker woonde. Bij de kinderboerderij kwamen we en zijn handen tilden me op de tractor en streelden het wilde watervlugge geitje, waar ik stiekem een beetje bang voor was.
Soms kwam hij bij ons op de brommer. Met zijn zware zwarte jas en zijn appelgroene helm; een waardige verschijning. Hij ging dan in de schuur aan de slag, kleine fietsbandjes plakken, of iets maken van hout, want zijn handen konden alles met hout. Ooit maakten die grote handen een prachtig poppenhuis, een pronkstuk. Met fijne houten tafeltjes en stoeltjes. Een bedje voor de pop om in te slapen en een kaptafel met sierlijk bewerkte pootjes. En het mooiste van alles: kleine gladgeschuurde bordjes en houten wijnglaasjes, minutieus afgewerkt. Want ook poppetjes moeten kunnen eten en drinken. Het was het allermooiste cadeau dat ik ooit gekregen had.
Zijn handen, voorzien van een grote lepel, ruïneerden in twee scheppen mooie toetjes. Zijn handen, voorzien van een tafelmes, sneden vervolgens muizelige kleine stukjes van de kaaskorst, voor de vogeltjes in de tuin. Zijn handen zorgden voor een explosie van slagroom als hij te hard in de spuitbus kneep. Zijn handen snoeiden met zorg de amaryllis, zodat die het jaar erop weer prachtig bloeide. En elke dag vouwde hij die handen en bad en dankte hij voor allen die hem lief waren, en legde hij zijn leven, zorgen en dankbaarheid in Gods handen.
Langzaam werden opa's handen oud en minder sterk. Op het laatst omklemden zijn stramme koele vingers mijn hand. Nog één laatste kneep. Wat hield ik van hem. Het oude jaar was haast voorbij, de sneeuw was net gesmolten in de straten: een mooi afscheid van mijn lieve opa.

